DE “TAALSLAG” van de olieslagers

Ik zal niet ingaan op de werking van de olieslagerij, die kunnen we ieder seizoen in De Wachter bekijken, maar zal mij bezig houden met een aanverwant verschijnsel, n.l. de taal van de olieslager. Olieslagers waren een apart volkje, dat zich uitdrukte in een, voor buitenstaanders, vreemde taal en in uitdrukkingen met een eigen sfeer.

Een bezoek aan zo’n oliemolen doet een buitenstaander verbaasd staan over de rijke verscheidenheid aan vaktermen en begrippen, die in zo’n “fabriek” gebezigd worden om allerlei gebruiksvoorwerpen en werktuigen aan te duiden.

Wat denkt u van slagheien, losheien, hangeniersbalken, wangijzers, klapmutsen, mamringen, perepotten, appelpotten, reeneuzen, bulen, haren vuistschotels, schellepezen, wentelwieksarmen, schortkneppels, stampementen, vuisters, wielwiggen, kruisepoten en schuine vaste neuten?

Vraag het maar eens aan de kenners!

Al die namen en nog veel meer – hoe raadselachtig ook – vormen met elkaar een olieslagerstaal in een geheel eigen stijl.

Hierna volgen een aantal begrippen en vaktermen uit de praktijk:

De Almanak (De Enkhuizer Almanak), ook de naam van een Zaanse Pelmolen, tevens voorzien van oliewerk, was een beroemd jaarboekje en werd bij alle molens als gids gebruikt. Het beschreef de te verwachten weersgesteldheid over het hele jaar.

Het aslager is een stenen lager waarin de pen van de wentelas rust en draait en wordt gesmeerd met reuzel.

Het bekken was een koperen schaal onder het blok waarin de olie werd opgevangen. De bibliotheek was een bijnaam voor de koekenopslag in de oliemolenschuur. Het blok is een voorslag- en een naslagblok, zoals we die ook in onze molen kennen. Ook genoemd de lade of de laad Hierin wordt het lijnmeel d.m.v. de slagbeitel onder hoge druk tot koeken geperst. De eerste persing vindt plaats in het voorslagblok en de tweede persing in het naslagblok onder nog hogere druk.

Bij het blok behoren slagbeitel( wig) en losbeitel(omgekeerde wig,om de druk op te heffen), aangedreven door de slaghei en de loshei.

Aan weerszijde van het blok treft men aan de jaagijzers, die aan de bovenkant omkrullen. Tussen de jaagijzers en het einde van het blok wordt aan weerszijde een haar,  die een gevulde buul met lijnmeel omklemt, geplaatst. De slaghei drijft de slagbeitel omlaag voor de persing. ( > 300At).

Een blokmaalder is de meesterknecht in de oliemolen.

Een dagjongen was een arbeider op een molen die alleen in dagdienst werkt; meestal een jongen of een molenaar op leeftijd; sommige arbeiders waren soms wel meer dan 50/60 jaar in dienst van de zelfde baas (Een nog voor de meeste bekende baas was de Fa. Honig).

Het gaande werk zijn alle bewegende delen in de molen.

De vuister is de stookplaats in de molen, waarop het meel voor het persen verwarmd wordt.

Een half maantje is een metalen afdekplaatje op de vuister (uiteraard) in de vorm van een halve maan . ( Wij voeren de rookgassen erdoor af)

De haren zijn de omslagen, waarvan de binnenkant is vervaardigd van gevlochten paardenhaar en de buitenkant van leer. De haren worden gebruikt om de bulen met voorbewerkt- en opgewarmd lijnmeel te omklemmen, voordat ze in het blok voor de persing geplaatst worden.

De heidenen was een Zaanse scheldnaam/bijnaam voor molenslopers.

Heidoof was iemand, die door de jaren heen doof werd van het onophoudelijke lawaai, die de heien en de stampers produceerden.
Omdat ze niet dadelijk reageerden werden ze ook wel oliedom genoemd.

In Wormerveer had men de bijnaam gladoor omdat de olieslagers hun vette hand aan het oor hielden om een ander beter te kunnen horen.

De kaak is het opstaand plankje voor het stropen van de bulen van de koeken.

De kantstenen zijn de zware, als wielen rollende stenen van de kollergang ( ze kunnen wel 5.000 kg per stuk wegen ), ook wel lopers genoemd.

De Kollergang bestaat uit een liggende steen (de legger), die op een doodsbed (fundering) ligt, met daarop twee op hun kant staande stenen (kantstenen), de lopers.
Ze pletten en wrijven door het gewicht en hun korte draaiende beweging het lijnzaad meel fijn, zodat het geschikt is voor het opwarmen in de vuisterpan.

Aan één kant van de vuister steekt de vuisterplaat wat over, waarin twee gaten en waaronder de bulen aan plaatijzeren kaartjes gehangen worden om het warme lijnzaadmeel op te vangen.

Als het schafttijd was werden de bankjes om de vuister opgesteld als schaftplek; waarschijnlijk werd er dan wel eens “gepreekt” en daarom noemde men die plek de kerk.

De klossenbak, waar ook op de molen wel eens over gesproken werd, was een aanduiding voor de bedstee.

Een last bestond uit 1960 kg lijnzaad, dat uiteindelijk zo’n 600 kg olie en ongeveer 1400 kg koeken opbracht.
Een windoliemolen, die in vol bedrijf was en in ploegendienst werkte (dag en nacht) kon per jaar 200 last zaad verwerken.

Oliepullen/olieslagers was de naam van de arbeiders in een oliemolen.
Een pletjongen was een arbeider, die de pletterij bediende.

De pletterij is een werktuig in oliemolens waarmee het lijnzaad wordt voorgekneusd.

Een pottenblok bestaat uit zware houten balken, die in de stamperpotten op en neer stampen om de koeken fijn te stampen voor de naslag persing.

De vuisterring/pan is een open pan op de vuister, waarin het lijnzaad wordt verwarmd en dient om het verwarmde zaad te transporteren naar de bulen.
Het roerijzer is het ijzer dat in de vuisterpan het meel roert, zodat het niet aanbrandt en gelijkmatig wordt verwarmd.

Het schorttouw  is het touw waarmee de heien en de stampers worden bediend.

Er kamt iets niet goed: dan wil dat zeggen, dat er iets niet klopt. Dit is een uitdrukking, die is afgeleid van tandwielen, waarvan de kammen (tanden)niet goed in elkaar grijpen.

Over schel haaien dat is de uitdrukking voor het langer dan nodig is laten slaan op de slagbeitel. Als waarschuwing voor het bereikte aantal slagen (± 48) op de slagbeitel ging een belletje, dat verbonden was met het schelrad.
Zo’n rad kennen we ook in onze molen.

We kunnen beter even onder zeil gaan (een dutje doen) dan een klap van de molenwiek krijgen, maar één ding is zeker, wie het eerst komt het eerst maalt.

Ik hoop, dat ik met deze bijdrage nog wat heb kunnen toevoegen aan uw kennis van de olieslagerij.

Cor Middel, olieslager in De Wachter (bron: Nieuwsbrief Vrijwilligers)