De verdwenen molens bij de Plankensloot


 

Dit artikel is -met toestemming- overgenomen uit het blad "DE 7 BRINKEN" (Jaargang 14- nummer 4- december 2007) van de Historische Vereniging Zuidlaren.
Schrijver van het artikel is Jan Kraak


 

 

Over de mensen die aan de Plankensloot hebben gewoond en over hun bedrijvigheid is veel te vertellen.
In het juni 2007 nummer van ‘De 7 brinken’ publiceerde Henk Brink een artikel over Egbert Alberts, schipper aan de Plankensloot. Dit artikel gaat over de verdwenen molens bij de Plankensloot. Een vervolgartikel zal gaan over molenaar Jan van Bon (‘Jan Plankie’) die in 1897 een fraai, nog bestaand woonhuis, aan de Millystraat liet bouwen. Hiermee is nog lang niet het laatste woord gezegd over de Plankensloot en de daarmee verbonden familie Van Bon.

Café Plankensloot
Evenals veel andere Drentse dorpscafés is ook café Plankensloot in Midlaren aan een buitenstaander verkocht, die er andere bestemming aan heeft gegeven. Vanaf 1998 was er het partycentrum Het Ei van Columbus in gevestigd en sinds kort men er, na een grondige opknapbeurt, op zijn Braziliaans eten. Na een tijd van verwaarlozing staan het oude gebouw en haar omgeving er weer prima voor.

Café Plankensloot, alias restaurant Brasa do Brasil, met rechts de oude linde, 2006

In mei 2006 bracht ik een bezoek aan de heer J. D. Medendorp die me de afdruk van een notitieboekje liet zien betreffende de vroegere windmolens bij de Plankensloot. Dat was aanleiding om me te verdiepen in de geschiedenis van het gebied rond Plankensloot en de daarmee verbonden familie Van Bon. Het notieboekje werpt enig nieuw licht op het molenbedrijf. Ik begin met wat de Encyclopedie van Drenthe en het boekje over de knapzakroute Midlaren over Plankensloot vermelden.

Plankensloot
Buurt met gelijknamige sloot (insteekhaven) in de gemeente Tynaarlo (tot 1 december 1999 Zuidlaren) ten noorden van Zuidlaren, pal ten oosten van Midlaren en bij de zuidelijke oever van het Zuidlaardermeer; […]. De Plankensloot is een van de oudste gegraven waterwegen van Drenthe.

[..]. De naam kan zijn afgeleid van: a) een houtzaagmolen (1645), omdat de sloot vol lag met boomstammen, die later tot planken werden verwerkt, b) veerman en beurtschipper Harmen van Plancken.

Eeuwenlang stonden er molens aan de Plankensloot. Zo bevonden zich hier in 1743 twee exemplaren: de houtzaagmolen van de weduwe Evert Hindriks en de korenmolen van Jan Geerts Bloem (ongetwijfeld genoemd naar één van de eindprodukten).

In 1836 bouwde Berend van Bon hier een olie- annex houtzaagmolen. De molen is in 1845 verbrand, en daarna herbouwd. Het jaar erop verbrandde de molenopbouw opnieuw. Toen heeft Berend van Bon in 1846 twee aparte molens laten bouwen aan de sloot, de meest westelijke als oliemolen en de oostelijke als zaagmolen. In 1907 is het bovenstuk van de oliemolen afgebroken en aan het Schildmeer herbouwd. De zaagmolen is in 1908 verbrand.

Het café (herberg) gaat met voorgangers terug tot 1759. Door de aanwezigheid van een laad- en losplaats voor beurtschippers ontstond daar een zodanig centrum van activiteiten, dat er een tweede herberg verscheen (1764). Het huidige café dateert uit 1854. Ernaast ligt de markesteen (grenssteen) van de marken Midlaren en Zuidlaren. Sinds de Bataafs-Franse tijd echter vormden de twee één marke.

Uitvoer
Via de haven van Plankensloot zijn ongetwijfeld flinten, dat zijn in stukken gehakte veldkeien, uitgevoerd. Een voorvader van de onlangs overleden dr. Hendrik Hamminga had bijvoorbeeld een flintenklopperij. Nadat de dijkpaalworm Nederlandse zeedijken vanaf 1732 bedreigde, werden er ook op grote schaal veldkeien uit Drenthe gehaald om de dijken te versterken. Daar zal Plankensloot een rol in hebben gespeeld. Tevens zal er eikenhout, afkomstig bijvoorbeeld van de brinken van Zuidlaren, via Plankensloot zijn uitgevoerd. In onze Gouden Eeuw was er grote vraag naar hout voor het bouwen van zeeschepen.

 De Plankensloot ligt vlak bij de vroeger belangrijke landweg van Coevorden naar Groningen. Allicht zullen bepaalde goederen, die per wagen waren aangevoerd uit Coevorden, na het gereedkomen van de haven van daaruit verder per schip naar Groningen zijn vervoerd. De aanwezigheid van twee cafés in de 18e eeuw duidt op veel activiteit.

Ten tijde van de oliemolen kwamen boeren tijdens de Zuidlaardermarkt hun bestelde lijnkoeken halen met de linnenwagen.

De twee molens aan de Plankensloot gezien vanaf het meer.
Links de houtzaagmolen en rechts de oliemolen.

De twee molens aan de Planksloot, gezien in de richting van het meer. Links achter het nog bestaande café de oliemolen en rechts de verdwenen boerderij van Jan Reinders met in de verte de houtzaagmolen. De linde voor de boerderij staat, volgroeid maar zonder de rechter tak, nog naast Brasa do Brasil. Een schilderij gemaakt naar deze foto hangt in de huiskamer van de familie Medendorp.

De buurtschap Plankensloot. Links de zaagmolen en rechts de oliemolen, gelegen achter café Plankensloot.

Berend van Bon en zijn zonen Hendrik, Jan en Egbert
De grootvader van de hiervoor genoemde Berend van Bon, de in Gasselternijveen geboren Egbert Alberts (1745-1809), vestigde zich als herbergier in Plankensloot. De naam Van Bon heeft betrekking op het Drentse dorp Bonnen.

Berend van Bon (1792-1874) was beurtschipper en houthandelaar. Een stuk in het archief van de gemeente Tynaarlo (nr. 743, 7 maart 1837) behandelt de aanvraag van hem om een olie- en houtzaagmalen aan de Plankensloot op te mogen richten. Ook toen al was er een soort hinderwet die voorschreef dat omwonenden gevraagd moesten worden naar het commodo et incommodo (gerief en ongerief) dat ze van de nieuwe molen zouden ondervinden. Aangezien er geen bezwaren waren, kon de molen worden gebouwd. Uit een ander archiefstuk (nr. 755, 7 november 1848) blijkt dat Berend van Bon de heer A. Bazuin, die was overleden, opvolgde als gemeenteraadslid.

Berend van Bon kocht zelf het hout op stam in Finland en Zweden. Dit hout werd in vlotten gebonden en naar Zuidlaren gedreven. De vlotten werden vanaf Delfzijl bemand door personeel van de molen. Daar vandaan ging de reis via het Zuidlaardermeer naar Plankensloot.

Berend werd de vader van 10 kinderen. In molen De Wachter kan men op een wandbord de stamboom bewonderen. Zoon Hendrik nam later de oliemolen over en zoon Jan de houtzaagmolen, vandaar zijn bijnaam Jan Plankie. De derde zoon Egbert zou in 1851 molen “De Wachter” aan het Havenkanaal in Zuidlaren laten bouwen. De geschiedenis daarvan wordt uitgebreid behandeld in het jubileumboek “De Wachter: een wonder!” dat is uitgegeven bij het 150-jarig bestaan van de molen in 2001.

Wisselend fortuin
Molenaars zijn niet alleen afhankelijk van de wind maar ook van allerlei economische ontwikkelingen. Daarom wisselt hun fortuin sterk. Ondanks dat het slechter ging met de houtzaagmolen aan het einde van de jaren ’90 kon Jan van Bon (Jan Plankie) in 1897 toch het royale huis in De Millystraat op nr. 11 laten bouwen.

Jan’s oudste broer Egbert was uiteindelijk minder fortuinlijk. Van het grote kapitaal van zijn vrouw liet hij molen “de Wachter” bouwen. Maar door de malaise in de landbouw als gevolg van de invoer van goedkoop graan uit Amerika ging het bedrijf achteruit. Hij werd poldermolenaar in Slochteren, terwijl zijn zoon Albert nog 10 jaar doorging om in 1895 de molen te verkopen aan Jan Medendorp. Met Egbert liep het slecht af. Hij eindigde zijn leven in het armenhuis. Maar hij behield zijn waardigheid: hij bleef de hoed dragen die hij zijn hele leven op had gehad.

Notitieboekje

Notities van Berend van Bon over de rampzalige jaren 1846-1847.

Het was waarschijnlijk Berend van Bon die in het eerder genoemde notitieboekje schreef:

“Den 27 April 1846 is de zagerij voor de eerste keer aan de gang gekomen, en het oliewerk op de eerste augustus 1846. Afgebrand 28 September 1847 des zondagavonds.” Na de brand werden er twee molens gebouwd. Over de houtzaagmolen zegt het notitieboekje: “De zaagmolen voor den eerste maal aan de gang gekomen den 24 augustus 1849.” In het boekje staan zaaglonen over de jaren 1849 - 1899 vermeld, die ik zal tonen in het vervolgartikel over Jan van Bon.

Vervolgonderwijs
Het boekje bevat verder een lijst van 50 “lessen van de meesters”, waarvoor 30 cent per les werd betaald. Voor wie het onderwijs was bestemd, is onbekend. Van 1 november 1858 tot 3 januari 1859 31 lessen en van 10 januari 1859 tot 23 maart 1859 19 lessen. Henk Brink merkt hierover het volgende op: “Het gaat waarschijnlijk om Engbert Blaauw (hoofdmeester) en Heerke Kuipers (hulponderwijzer) van de school uit Zuidlaren, omdat Midlaren toen nog geen school had. Ik denk dat de aantekeningen betrekking hebben op het herhalingsonderwijs. Als je in die tijd de lagere school had doorlopen, kon je in de wintermaanden in de avonduren naar het herhalingsonderwijs. Je kreeg les in extra rekenen, taal, maten en gewichten. Verder onderwijs was in zijn algemeenheid toegespitst op het boerenbedrijf.

Rond 1880 was de herhalingsperiode voor de jongens van november tot en met februari, voor de meisjes een maand langer tot en met maart. Maar dat kan in de winter 1858/1859 best anders zijn geweest, die informatie heb ik niet.

Het lijstje van Van Bon geeft wel een vast patroon qua tijdsbestek aan, het aantal lessen in de echte wintermaanden is redelijk frequent en stabiel. Na half februari neemt het af naar 1 les per week, wat betrekking zou kunnen hebben op het komende voorjaarswerk op de boerderij.”

Lessen van de meesters in het najaar van 1858

Aalfuiken
Ten slotte bevat het boekje een patroon om aalfuiken te breien. Ongetwijfeld werden de fuiken in de Plankensloot gebruikt. Het patroon begin is als volgt: “Begin van een aalvuik breiden, 100 marsten (steken) opzetten, 4 maal in tronde, dan met de voorste in keel beginnen, de keelen moeten 2 maal in tronde mindert worden, en andermaal 3 marsten verder uitbreiden en dan minderen, …”

Patroon voor het breien van aalfuiken

Kanttekeningen
In de tijd dat er vrijwel geen goede wegen waren, was vervoer over water erg belangrijk. Zo zullen de in Aduard gebakken stenen voor de N.H. Kerk van Zuidlaren zeer waarschijnlijk per schip via het Zuidlaardermeer en de Hunze naar een punt zo dicht mogelijk bij de kerk zijn gebracht, want de Plankensloot bestond ten tijde van de stichting van de kerk in de 13e eeuw nog niet. Wie het intitiatief heeft genomen voor het graven van de Plankensloot, met waarschijnlijk als primair doel die van veerhaven, is niet bekend. Waarschijnlijk was het een kapitaalkrachtig persoon die op één van de landhuizen in de buurt woonde en het uitgegeven geld door het heffen van tolgeld heeft proberen terug te verdienen.

Of de aanwezigheid van boomstammen in de Plankensloot in 1645 betekent dat er toen ook al een houtzaagmolen was, zoals de Encyclopedie van Drenthe vermeldt, waag ik te betwijfelen. Want bomen werden toen vaak met een grote handzaag gezaagd, waarbij één van de twee zagers in een zaagkuil stond.

Verval en renovatie
Het gereedkomen in 1834 van het Havenkanaal van het Zuidlaardermeer naar het centrum van Zuidlaren betekende een gevoelige slag voor Plankensloot als veerhaven. Alle verkeer over water naar Zuidlaren ging in het vervolg via het Havenkanaal. Volgens Medendorp heeft Berend van Bon de aanleg door middel van een brief gericht aan koning Willem I nog proberen tegen te houden. Waarschijnlijk heeft Berend van Bon, nadat hij minder werk kreeg als beurtschipper, een olie- en houtzaagmolen laten bouwen aan de Plankensloot.

Aan het einde van de 19e eeuw was de houtzagerij op zijn retour blijkens de lijst van zaaglonen uit het hiervoor genoemde notitieboekje. Nadat de houtzaagmolen in 1908 afbrandde, is hij niet weer opgebouwd. De na 1907 door een petroleummotor aangedreven oliemolen brandde in 1926 af en werd eveneens niet weer opgebouwd. Daarmee kwam een einde aan de industriële activiteit aan de Plankensloot. Alleen het café Plankensloot bleef over.

 

Rechts de oliemolen aan de Plankensloot nadat de molenkap eraf is gehaald in 1907. Deze door een petroleum-moter aangedreven oliemolen brandde af in 1926.

 Na 1926 kwam de Plankensloot in het teken van de watersport te staan, bij de ruilverkaveling omstreeks 1970 is er in opdracht van de familie Korringa nog een extra kanaal evenwijdig aan gegraven om extra ligplaatsen te creëren. Van 1926 tot 1966 woonde familie Van der Zijl er, daarna tot 1991 de familie Korringa (zie ‘Het geheugen van Midlaren’) en ten slotte tot 1996 de familie Bos. Daarna eindigde café Plankensloot zijn rol als dorpscafé. Over hoe het verder ging met Plankensloot na 1926 is ook nog een artikel te schrijven. Tegenwoordig staat er “Braso di Brasil” op de voorgevel van het oude café. Bij de renovatie is gelukkig de fraaie linde ernaast gespaard gebleven. Maar aan de watersport in de sloot is een einde gemaakt door de nieuwe eigenaar. Alleen een oud botenhuis herinnert er nog aan. Van de molens ontbreekt elk spoor. De houtzaagmolen lag halverwege de Plankensloot, maar er is geen spoor meer over. De markesteen die zich bij het café zou moeten bevinden, heb ik niet kunnen vinden. Café Plankensloot straalde in de 19e eeuw voornaamheid uit. Ervoor was een zgn. Engelse tuin aangelegd, met kronkelpaden. Een parkeerplaats is daarvoor in de plaats gekomen. Omdat bezoekers hun auto meestal dichter bij de ingang zetten, is de parkeerplaats meestal leeg.

Jan Kraak 

Mei 2006/september 2007

Plankensloot 2006

De Plankensloot in de richting van het Zuidlaardermeer in 2006, met oud botenhuis. Tegen de rechterwal was heel vroeger een aanlegsteiger voor vrachtschepen

 

Bronnen

Arends-Luinge, M., De Wachter: een wonder, Zuidlaren, 2001.

Bon, J. van, Familieboek van de familie Van Bon, 2004.

Encyclopedie van Drenthe, Van Gorcum, 2003.

Gemeentearchief Tynaarlo.

Knapzakroute Midlaren, 1989.

Noordhoff, I. en Steenhuis, T., Het geheugen van Midlaren, 2004.

 

Met dank aan H. Brink, J.D. Medendorp en O. Nienhuis.