De Midlaarder korenmolen van Sebe van der Molen



Dit artikel is -met toestemming- overgenomen uit het blad "DE 7 BRINKEN" (Jaargang 15 - nummer 4- december 2008) van de Historische Vereniging Zuidlaren. Schrijver van het artikel is Henk Brink

Het malen van graan met maalstenen voor het verkrijgen van meel om brood te bakken werd vanaf de Romeinse Tijd gedaan met kleine handmolentjes.
Rond 1200 kwamen korenmolens in gebruik die door stromend water werden aangedreven.
Rond 1300 was de windkorenmolen technisch zodanig ontwikkeld, dat er in West-Europa houten standerdmolens voor het malen van graan werden gebouwd.

De Midlaarder korenmolen

Standardmole Ter Haar
Standerdmolen in het Groningse Ter Haar

De geschiedenis van de eerste Midlaarder korenmolen gaat terug tot het jaar 1602. Dan is er  voor het eerst sprake van een molen en een molenaarshuis, met Tymen Wessels als molenaar. Het is op dat moment de enige korenmolen in het kerspel Zuidlaren.
Molen en molenaarshuis zijn strategisch gesitueerd en goed bereikbaar vanuit Zuidlaren over de Noord Es via de huidige Esweg, in die tijd de Drift Weg, die onderdeel was van de hoofdverbinding Groningen - Zuidlaren.
Het was belangrijk om een goede windvang te hebben, dus moest de omgeving van de molen vrij zijn van bebouwing en hoge bomen. Een natuurlijke verhoging in het landschap was ideaal en de molen van Midlaren was gebouwd op zo’n natuurlijke verhoging. Kaartonderzoek heeft dat uitgewezen.
De molen wordt door de Molenstichting Drenthe als volgt omschreven (*1):

Onder no.314, plaats Midlaren, functie Korenmolen, type Standerdmolen. De situering is 0,3 km ten zuiden van de tol en ten westen van de Heerweg.

Vandaag de dag zal men tevergeefs naar de tol zoeken en de Heerweg heet thans Groningerstraat.
De molen stond ter hoogte van Plankensloot. Plankensloot heeft een insteekhaven die door één van de oudste  kanalen van Drenthe verbonden is met het Zuidlaardermeer.
Tot 1835 werd vanaf dit punt een beurtdienst per schip onderhouden van Zuidlaren naar Groningen. 

De korenmolen

Rond 1600 werden de windmolens helemaal opgebouwd van hout. Het waren zogenaamde standaardmolens. De standaard of standerd is een zware houten spil b.v. een dikke stam van een eikenboom. Om deze spil kan het molenhuis, ‘een grote vierkante kast’,  draaien. Vandaar dat dit type standerdmolen wordt genoemd.
De hele kast, de wieken aan de voorkant en de staart met trap aan de achterkant, wordt door de molenaar frontaal op de wind gedraaid door middel van het kruiwiel onder aan de staart. In de kast zijn twee zolders, die te bereiken zijn via een trap aan de buitenkant.
Op de bovenste zolder, de steenzolder, wordt het graan gemalen en op de onderste, de maalzolder, wordt het meel opgevangen in zakken. De Midlaarder molen, met een kruiwerkconstructie van het type zetelkruier, was een zogenaamde open standerdmolen omdat het ondergedeelte open was. Een gesloten standerdmolen heeft het voordeel dat de standerd met zetel en balken beschermd is tegen weer en wind. Ook is er extra bergruimte voor opslag van zakken, gereedschap en dergelijke.

Impost op het gemaal

Als Drenthe in 1596 door de verovering van Willem Lodewijk van Nassau onder bestuur komt van de Staten Generaal, wordt zij belastingplichtig aan de Republiek. Om die reden wordt er in Drenthe in het jaar 1600 een nieuwe vorm van belasting ingevoerd,
Vanaf dat moment wordt er belasting geheven op het te malen graan.
Deze impost op het gemaal was zeer gehaat omdat het zwaar op de eerste levensbehoefte drukte. In het verleden zijn rond deze belasting veel incidenten geweest, tot regelrechte opstanden toe.
Ieder die graan liet malen moest bij de ‘pachter van de belasting’ (collecteur) eerst de verschuldigde impost betalen, waarvan hij ten bewijze een ‘briefken’ kreeg. De molenaar mocht pas malen als dit briefke aan hem was overhandigd. De ingeleverde briefjes moest hij aan een snoer rijgen en deze eens per week naar de pachter brengen, zodat die het kon  vergelijken met zijn eigen register. Om ontduiking te voorkomen mocht de molenaar niet voor zonsopgang en na zonsondergang malen. In 1630 werd de impost op het gemaal in Drenthe afgeschaft en vervangen door een hoofdgeld. Nu moest voor elk persoon ouder dan één jaar (later twaalf jaar), ongeacht stand of bezit, ieder halfjaar acht stuivers worden betaald.
Een reden voor deze verandering zal een meer-opbrengst geweest zijn, maar het kan ook zijn  dat de inning van het gemaal fraudegevoelig was en te veel rompslomp gaf.
De hoofdelijke omslaglijst van 1630 in Zuidlaren telt 453 inwoners ouder dan één jaar.

De molenaar van 1602  

keuterij en oude lindeboom Midlaren
De oude lindeboom. "een zegen en vloek tegelijk"

In 1602 was Tymen Wessels molenaar op de Midlaarder korenmolen. Hij woonde niet direct bij de molen maar in het molenaarshuis, thans Groningerstraat 25. Het nu aanwezige huis aan de Groningerstraat 25 is een heel ander huis dan de molenaarswoning van 1602. Het kan zijn dat de nog aanwezige lindeboom voor het huis door molenaar Tymen gepoot is. De boom is dan al meer dan 400 jaar oud.
Volgens overlevering is de boom een zegen en een vloek tegelijk.

‘Als men de boom 's morgens groet is men verzekerd van een goede dag’.

Tymen Wessels had als molenaar de vrijheid om alle graan in Zuidlaren te malen dat door de boeren bij zijn molen gebracht werd. Ook het graan van buiten de Landschap mocht hij malen, mits het gedekt was door een bewijs dat de impost aan de pachter van de belasting was betaald.
Op 2 november 1605 werd er een klacht tegen hem ingediend. Het is niet duidelijk waar het om gaat, maar er zou sprake geweest kunnen zijn van ontduiking van de belastingwet op het gemaal.
In 1612 waren er waarschijnlijk rond de honderd gezinnen in Zuidlaren. Het goed-schattingsregister van Zuidlaren over 1612 bevatte drieënzeventig aanslagen. (zonder bezit werd men niet aangeslagen).
De Midlaarder molen van rond 1600 heb ik op geen enkele topografische kaart kunnen ontdekken, maar op een grenskaart Oostermoer en Groningen uit 1716, (*2) getekend door  Arnoldus Tideman, is de  Midlaarder  korenmolen wel te vinden. Na enige studie is het bijna zeker dat de getekende molen een standerdmolen is.
Op een kaart van 1736, (*3) aanwezig in het Drents Archief, staat de molen van Midlaren aangegeven.

In een akte van 2 december 1709 wordt Jan Tiackens als molenaar genoemd. Hij en zijn vrouw Jantje lenen 100 guldens aan Reynder Geerts op Zuidlaarderveen.

De keurnoten waren Wolter Willems en Hindrik Kloot, de plaats waar de overeenkomst gesloten werd is Zuidlaren.

De molen en haar molenaars na 1743

Ontginningskaart 1766
Fragment van de ontginningskaart van 1766, getekend door Lamberus Grevelink

Op 19 maart 1743 deed Pieter Ulfers Wiertema een verzoek om nabij Zuidlaren of de Sloot een pelmolen te mogen plaatsen voor het pellen van gerst ten behoeve van de gortfabricage, met uitsluiting van anderen in het Dingspel Oostermoer en op voorwaarde dat de molen er binnen drie jaar moest staan. Het verzoek werd niet gehonoreerd.
In dat jaar was Jan Geerts Bloem molenaar in Midlaren op de Midlaarder korenmolen.
Op 15 februari 1748 leenden Jacob IJsbrants en zijn vrouw
 f 700,- wegens aankoop van de molen van Midlaren. De leners zijn: Schulte Homan, luitenant Meursing, Jan Jobing en Lucas Oosting. Borg is Tamme Jacobs uit Groningen (*4).
Jacob IJsbrants en zijn vrouw verkochten de molen in 1762 aan E. Benker.
Benker verkocht de molen en het huis aan Roelf Oosting.

Op de ontginningskaart van de Oostermoerse venen van 1766, getekend door Lambartus Grevijlink, is duidelijk te zien dat het om een standerdmolen gaat (*5) die Benker aan Oosting verkocht. Op 10 mei 1779 meldt het Statenarchief van Drenthe dat er een standerdmolen staat te Midlaren.
Molenaar Oosting overleed in 1781 en had alleen minderjarige kinderen. De mombers (voogden) van deze kinderen verkochten molen en molenhuis voor f 900,- aan Berend Trip.
In het schultearchief is deze verkoop vastgelegd: 1781 Midlaren: gekocht huis en boekweitmolen voor f 900,-. (*6)

Over de verkoop wordt de 40ste penning geheven:
De momberen van de minderjarige kinderen van Roelf Oosting moeten aan de Landschapspander W. Coops terug te voldoen van een verkocht huis en boekweitmolen te Zuidlaren voor; 900 gulden – 0 stuivers – 0 penningen.

Het ‘terug te voldoen’ gaat hier om een belasting, de zgn. 40ste penning. Over het verkoopbedrag van f 900,- is dit: 22 gulden – 10 stuivers – 0 penningen.
De gekochte molen door Trip staat ingetekend op de vervaardigde wandkaart van de provincie Groningen van 1781 door Theodoris Beckeringh.
Op 13 december 1786 verkocht Berend Trip de Midlaarder molen, het muldershuis met hof en 3/5 morgen (*7) land voor f 3000,-  aan Wolter Abels uit Eelde
Bij de verkoop bedong Berend Trip het recht van beklemming op de molen voor zijn broers en zusters.

Een beklemming is een eeuwigdurend erfrecht op gebruik van andermans grond.
Die grondgebruiker wordt een beklemde meier genoemd en heeft de beschikking over deze grond. In de provincie Groningen komt dit soort overeenkomsten veelvuldig voor.

Wie is Wolter Abels

Midlaarder korenmolen
In 1786 kocht Wolter Abels uit Eelde de Midlaarder korenmolen van Berend Trip

Wolter Abels vestigde zich omstreeks 1767 in Eelde en was als molenaarsknecht werkzaam bij de weduwe Lambert Willems. De molen stond aan de huidige Molenweg 9 in Eelde.
Hij trouwde in datzelfde jaar met Marigje Sebes (*8). Marigje was gereformeerd en Wolter mennoniet, een volgeling van Menno Simons.
Omstreeks 1770 kocht Wolter de molen en werd de molenaarsknecht molenaar op de Eelder molen.
Wolter Abels wordt in het Haardstedenregister van Eelde van 1774 genoemd als keuter en mulder, in 1784 wordt hij vermeld als molenaar en keuter.

Wolter Abels en Marigje Sebes kregen na hun huwelijk acht kinderen, allen geboren ‘bij de meulen’ hoewel dominee dit niet in alle gevallen meldt.
Kinderen uit dit huwelijk:
      1. Aapfke Wolters, geboren 1768 in Eelde, bij de meulen, gedoopt 3-4-1768.
      2. Luuwke Wolters, geboren 1770 in Eelde, gedoopt 17-6-1770.
      3. Willemke Wolters, geboren 1772 in Eelde, bij de meule, gedoopt 15-11-1772.
      4. Sebe Wolters ,geboren 1775 in Eelde, bij de meule, gedoopt 19-3-1775.
      5. Claas Wolters, geboren 1777 in Eelde, gedoopt 31-5-1777.
      6. Abel Wolters, geboren 1779 in Eelde, gedoopt 13-6-1779.
      7. Trijntjen Wolters, geboren 1782 in Eelde, bij de meulen, gedoopt  3-3-1782.
      8. Judigien Wolters, geboren 1785 in Eelde, bij de meulen, gedoopt  6-3-1785.
In 1779 gaat Wolter over tot de hervormde godsdienst en wordt als lidmaat ingeschreven, ‘thans gewezen mennonist’.
In 1786 kocht hij de Midlaarder molen van Berend Trip en het gezin vertrok uit Eelde.

Molenaar op de Midlaardermolen

In 1787 werd Wolter Abels als lidmaat ingeschreven bij de kerk van Zuidlaren, tot nadere aanduiding vermeldt dominee Lambertus Vos: na nagtmaal naa Pinksteren is met attestatie van Eelde tot ons over gekomen Wolter Abels mulder op de Midlaarder meulen.

Fragment uit Lidmatenboek kerk van Zuidlaren
Fragment uit het lidmatenboek van de kerk van Zuidlaren

Hieruit blijkt dat de familie zich na Pinksteren 1787 in Midlaren vestigde.
Naast molenaar was Wolter Abels ook boer en molk hij twee koeien.
Na 1795, toen de Gilden werden opgeheven, kondigde de staat allerlei wetten af, o.a de wet accijns op het gemaal. Er werden ambtenaren aangesteld om belastingontduiking te voorkomen. Als er graan aangeboden werd om brood van te bakken moest daar belasting over betaald worden. Graan voor veevoer was belastingvrij, maar werd met zand vermengd en zo ongeschikt gemaakt voor menselijke consumptie.
In 1795 werd Wolter Abels benaderd door de broers Freerk en Hendrik Reinders, wonende op een boerderij op Plankensloot aan de Groningerstraat. Ze waren niet onbemiddeld en bezaten 21 morgen land, 2 paarden en 15 koeien. De broers wilden op Plankensloot een molen bouwen met hulp van Wolter Abels. Uiteindelijk bleef het bij plannen maken, er werd geen tweede molen gebouwd in Midlaren. Dat de broers Wolter Abels om advies en hulp vroegen is niet onlogisch. Molenaars verrichtten in zijn algemeenheid alle herstelwerk zelf aan hun molen en waren zeer handig met beitel en hamer.
Bijna twintig jaar was Wolter Abels molenaar in Midlaren. Hij overleed rond 1800, in elk geval voor 1806. Zijn zoon Sebe Wolters nam het bedrijf over en werd molenaar op de Midlaarder molen.
In een lijst met hoofden van gezinnen in Midlaren uit 1807 staat: 

Wed. Wolter Abels en Zn.,  Molenaar, 2 koeien en 3/5 morgen land.

Marigje Sebes, de weduwe van Wolter Abels, overleed op 14 februari 1823 te Midlaren.

Zoon Sebe Wolters

Sebe kende het molenaarsvak. Hij werkte bij zijn vader op de molen en de benodigde vakkennis was overgedragen van vader op zoon.
In 1806 was Sebe zelfstandig molenaar, hij had de molen en het boerenbedrijf overgenomen. Hij was ongehuwd en bleef wonen bij moeder Marigje in het molenaarshuis.
In een overzicht van 1807 worden de bewoners van het molenaarshuis als volgt omschreven:
Nummer 123, de weduwe Wolter Abels en zoon, van beroep molenaar, ze melken twee koeien en bezitten 2/5 morgen bouwland, inwonend één werkbode.

Naar aanleiding van deze inventarisatie moest de familie Wolter Abels de navolgende jaarlijkse belasting betalen, dienstbodengeld f 3,- hoorngeld f 3,10 en patentegeld, verbonden aan het molenaarschap f 30,-
In 1806 werd Sebe betrapt op het malen van rogge zonder toestemming.
Lambert Schuiling had een zak rogge (beestenvoer) op de molen bij Sebe gebracht om het  te vermalen tot consumptiemeel. Zo werd de belasting ontdoken die over consumptiemeel geheven werd. De belastingambtenaar kwam er achter en het werd een zaak. Roelf Jans was op de molen aanwezig en getuige van het delict (*9). Sebe Wolters en Lambert Schuiling werden beiden beboet.
Pikant detail in dezen is dat Roelf Jans en Lambert  Schuiling buren waren. Waarschijnlijk was er sprake van onderlinge onmin en heeft Roelf Jans op deze manier zijn gram gehaald.
Beiden woonden aan de Zuiderstraat zuidzijde. Roelf Jans huurde daar een boerderij met land van Hendrik Straating, no. 286 op de kadasterkaart van 1832.
Hij was gehuwd en had één kind. Zijn vrouw had de beschikking over een werkbode die bij hen inwoonde. Hij was wat je noemt een tweepaards boer, bezat twee paarden, negen koeien en twaalf schapen en huurde 6 4/15 morgen bouwland en 14 4/30  morgen weiland.
Lambert Schuiling bezat een eigen boerderij, no. 277  op de kadasterkaart van 1832, met 24/15 morgen bouwland en 11 2/3 morgen weiland. Lambert was naast boer ook koopman in varkens. Hij was gehuwd en had drie kinderen. De levende have op de boerderij bestond uit één paard, zeven koeien en 22 schapen.
Als koopman vertoefde hij ook buiten Zuidlaren. Op 21 juli 1811 noteerde de maire van Zuidlaren in het Register van Binnenlandsche Paspoorten dat de koopman Lambert Schuiling een paspoort heeft verkregen voor de reis naar Harlingen. Op 30 november 1812 werd hem een paspoort verstrekt om te reizen in de Departementen van het Keizerrijk.

In de ‘Lijst van Patenten in Zuidlaren van 1811’ staat Sebe Wolters ingeschreven als korenmolenaar, met de toevoeging ‘minder dan voor 1200 zielen malend’. Hieruit blijkt dat hij voor de hele bevolking van Zuidlaren de molenaar was.
Volgens diezelfde lijst van patenten waren er in 1811 zes broodbakkers in ons dorp.

  1. Hindrik Febes, bakker en venter van Rogge en Tarwen Brood en een kleine winkelier.
  2. Harm Freerks, bakker en venter van Brood en Koek.
  3. Sieme Siemes, bakker en venter van Rogge en Tarwen Brood.
  4. Wed. B. Fiks, bakkersche van alleen Rogge Brood.
  5. Willem Bos, bakker van alleen Rogge Brood.
  6. Geert Strating, bakker en venter van Rogge en Tarwen Brood

Op 18 augustus 1811 besloot keizer Napoleon Bonaparte per decreet dat iedereen verplicht werd een achternaam te voeren en zich te laten registreren in een register naamsaanneming.
Sebe Wolters heet vanaf dat moment Sebe van der Molen.

In 1812 werd door landmeter Le Guilou de Franse kaart van de omgeving Zuidlaren vervaardigd. Hierop is de exacte plaats van de Midlaarder korenmolen terug te vinden. Aan de oostzijde van de doorgaande weg van Zuidlaren naar Groningen, in die tijd de Drift Weg genoemd, ongeveer ter hoogte van Plankensloot, is de molen ingetekend en voorzien van de tekst Midlaarder Koorn Molen.

Huwelijk Sebe van der Molen en Jantje Wassens

huwelijksakte Sebe van der Molen en Jantje Wassens

Fragment van de huwelijksakte van
Sebe van der Molen en Jantje Wassens

Op 6 mei 1814 trouwden Sebe van der Molen en Jantje Wassens in Zuidlaren. Het huwelijk werd gesloten door Willem Jacques graaf van Heiden schout van Zuidlaren.
De akte omschrijft het als volgt:

Sebe van der Molen oud veertig jaar, molenaar en geboren in Eelde woonachtig te Midlaren in de gemeente Zuidlaren. Meerderjarige zoon van wijlen Wolter Abels, te Zuidlaren overleden en van Marigje Sebens.

Moeder Marigje is bij het huwelijk aanwezig. Zij geeft toestemming voor het huwelijk maar  zal de huwelijksakte niet tekenen, zij verklaart niet te kunnen schrijven.
De bruid Jantje Wassens was negentien jaar oud, geboren in 1795 te Zuidlaren als dochter van Geert Wassens en Harmpje Evers. Zij zijn bij de huwelijksvoltrekking aanwezig en moeten toestemming geven omdat Jantje nog minderjarig is.
Het huwelijk werd van tevoren afgekondigd aan de hoofddeur van ‘Ons huis der Gemeente’, de eerste keer op de elfde en de tweede keer op de achttiende april 1814. Telkens des ’s Middags om twaalf uren.
De afkondiging werd gedaan door schoolmeester Geert Leffert Camp.
De getuigen bij het huwelijk voor Jantje Wassens waren Hendrik Jans, een aangetrouwde oom, 44 jaar en van beroep timmerman, Harm Noorda, zwager, 34 jaar, Willem Wassens, een volle oom, 42 jaar en Sikke Jacobs van Dijk, oud 31 jaar.
De 40 jarige Sebe trouwde met de 19 jarige Jantje Wassens. Dat was in die tijd niet  uitzonderlijk. Als vrouwen overleden in het kraambed ging de weduwnaar vaak op zoek naar een nieuwe partner en een moeder voor zijn kinderen.
Met Sebe was dat niet het geval. Zover ik heb kunnen nagaan was hij niet eerder getrouwd. 
Hij was geen weduwnaar met kinderen maar als eigenaar van een molen een aantrekkelijke huwelijkspartij. Molenaars waren gewilde huwelijkspartners.

Het molenaars gezin

Op 10 augustus 1814 werd hun dochter Margien van der Molen geboren te Midlaren. De akte omschrijft haar als; dochter van Sebe van der Molen, beroep mulder en Jantje Wassens.
In 1816 werd op 6 september ’s morgens om vijf uur hun zoon Wolter geboren. Een dag later verscheen vader Sebe bij de burgerlijke stand om zijn zoon aan te geven in het bijzijn van de getuigen Willem Lamberts Hoving, oud 26 jaar, van beroep bakker en Waldrik Tonkens Nienhuis, oud 30 jaar en zonder beroep.
Een kleine twee jaar later, op 9 mei 1818 werd hun tweede zoon Geert ’s morgens om drie uur geboren. Bij de aangifte door vader Sebe zijn de getuigen Sikke Jacobs Dijk, 36 jaar oud, van beroep logementhouder en wederom Waldrik Tonkens Nienhuis, 31 jaar oud en zonder beroep.
Op 17 juli 1822 werd hun zoon Harm geboren.
Bijna een jaar na de geboorte van Harm, op 17 juni 1823, overlijdt vader Sebe. Schout Nicolaas Gerard Servatius heeft de navolgende akte opgemaakt:
Op heden den Eén en twintigsten Junij achttien honderd drie en twintig des voor ’s middags te Tien uur Compareerde voor mij Nicolaas Gerard Servatius Schout, Ambtenaar van den Burgelijke Staat der Gemeente Zuidlaren.
Egbert Bazuin oud zeven en veertig jaren Landbouwer van beroep woonachtig te Planken Sloot en Jan Harm Bos oud zeven en veertig jaren Landbouwer van beroep woonachtig te Midlaren de eerste en tweede Geburen van den overledenen.
Derwelke verklaarden dat Sebe Wolters van der Molen Molenaar van beroep woonachtig te Midlaren, Gemeente Zuidlaren.
Zoon van Wijlen Wolter Abels en Margje Sebes van welke hij geboren is in de Gemeente Eelde in den jare Eén duisend Zeven honderd vier en Zeventig.
Den Zeventienden der Maand Junij des ’s avonds te zes uren ten zijne huise in de Gemeente Zuidlaren in den ouderdom van Negen en Veertig jaren is overleden.

En hebben Comparanten deze acte na behoorlijke voorlezing van dezelve nevens mij ondertekend:
Egbert Bazuin            J.H. Bos          N.G. Servatius

Muldersche Jantje Wassens

Na het overlijden van Sebe werd Jantje Wassens eigenaar van de molen en nam zij het molenaarswerk voor haar rekening. Zij was 28 jaar, in de kracht van haar leven en ze zal het molenaarsvak zeker beheerst hebben. Waarschijnlijk heeft ze af en toe hulp van buitenaf gehad, maar in welke vorm is niet bekend. De oudste zoon Wolter zal vast ook meegeholpen hebben. Van hem is bekend dat hij op 29 jarige leeftijd als molenaarsknecht werkte, waarschijnlijk op de korenmolen van Gieten.
Het jaar 1823 werd een zwaar jaar voor moeder Jantje Wassens. Na op 17 juni haar man te hebben verloren overleed op 26 november van dat jaar haar jongste zoon Harm, in de leeftijd van één jaar en vier maanden. Op 29 november verklaren Hendrik Smeenge, oud 68 jaar, landbouwer van beroep en woonachtig te Midlaren en Berend Danker, oud 23 jaar, ook landbouwer en woonachtig te Midlaren, dat Harm van der Molen, zoon van wijlen Sebe Wolters van der Molen en Jantje Wassens op 26 november 1823 ’s morgens om vier uur, ten huise  van desselfs moeder, in Midlaren is overleden.
Eind november 1825 werd in de Asser Courant het volgende gemeld:
De 3de  December 1825 zal ten huise van Derk Hagendoorn (toen wonende aan de huidige Kerkbrink te Zuidlaren) publiek worden verkocht de beklemming van de koren en windmolen gelegen te Midlaren en het daarbij behorende molenaarshuis en hof.

Jantien Geerts Wassens Koornmolenaarsche te Midlaren koopt de beklemming en laat deze  op naam zetten van haar kinderen.

De brand

In de nacht van 22 op 23 april 1826 voltrok zich een ramp in Midlaren. Omstreeks het middernachtelijk uur brak er brand uit in de Midlaarder korenmolen en in een mum van tijd stond het geheel in lichtelaaie, er was geen redden aan.
Omwonenden zullen het ontdekt hebben want de nachtwacht functioneerde alleen in de wintermaanden en de maand april viel daar niet in.

kadaster 1832
Fragment van de kadasterkaart 1832: bovenste pijl molenaarswoning, onderste pijl plaats van de molen
Als rond één uur in de nacht burgemeester W.J. Graaf van Heiden ter plaatse arriveert, zal hij zeker door veldwachter Olijslager direct bij aankomst geïnformeerd zijn en constateert ook hij dat aan blussen niet valt te denken. De houten molen brandt als een fakkel. Hij treft dan ook de noodzakelijke maatregelen om uitbreiding van de brand tegen te gaan. Dat lukt. De belendende percelen blijven gespaard en de molen laat hij gecontroleerd uitbranden. Als er geen vrees meer is voor uitbreiding van de brand, plaatst hij enkele manspersonen bij de uitbrandende molen en vertrekt naar Huize Laarwoud.
In een schrijven d.d.25 april 1826 aan de Gouverneur doet hij verslag van de aangetroffen situatie en van zijn adequate optreden ter plaatse.

Voor Jantje Wassens en haar kinderen brak een moeilijke tijd aan. De molen was niet  verzekerd tegen brandschade en nu er geen maalloon meer binnenkwam raakten zij en haar kinderen in behoeftige omstandigheden.
De burgemeester omschrijft het als volgt:

dat dadelijkers onderstand hoogst nabij ware het niet dat hare ouders welke anders in geen ruime omstandigheden verkeren zich over haar en hare kinderen hadden ontfermd en deselve bij zich in huis genomen.

Jantje en de kinderen vertrokken uit het molenaarshuis in Midlaren en kregen tijdelijk onderdak bij haar ouders Geert Wassens en Harmpje Evers in Zuidlaren. Vader Wassens was van beroep wever, ze woonden aan de huidige Hondsrugstraat in Zuidlaren, op de plaats waar nu de Roomse kerk staat. Met een gezin erbij was het geen vetpot. 
Uit de lijst van hoofden van gezinnen uit 1807 blijkt dat vader en moeder Wassens samen zeven kinderen hebben en dat vader naast wever ook boer is. Hij bezit drie koeien en zeven schapen en is huurder van twee morgen bouwland en drie 2/3 morgen weiland en is bewoner/ eigenaar van de woning aan de Hondsrugstraat.
Begin mei 1826 verzocht Jantje aan het gemeentebestuur om binnen deze provincie en  gemeente een collecte te mogen houden:
ter gemoet koming van der haar getroffen ramp door het afbranden der Koorn  Molen te Midlaren.

De burgemeester ondersteunde het verzoek van Jantje in een schrijven naar de Gouverneur door nogmaals naar voren te brengen, dat de korenmolen niet tegen brand verzekerd was en dat de kinderen van de Adressante (Jantje Wassens) welke beklemde Eigenaars van de opgemelde Molen waren, door het Afbranden van deselve groote schade hebben geleden.

Brief aan de Gouverneur 26 april 1826
De brief aan de Gouverneur van 26 april 1826

Op 19 juli besluiten Gedeputeerde Staten dat:

Jantien Geerts Wassens Koornmolenaarsche te Midlaren om wegens het afbranden van de Koornmolen te Midlaren eene collecte in de Provincie te mogen doen.

Wel houden Gedeputeerde Staten nog een slag om de arm, zij vorderen het aanwezige beklemmingscontract dat op naam staat van haar kinderen. De burgemeester wordt met de invordering belast en verzendt op zeven augustus 1826 de gevorderde beklemming aan de Gedeputeerde Staten van Drenthe. Naar aanleiding van deze invordering wordt de burgemeester gemachtigd om op tien augustus een uitbetaling te verrichten aan Jantien Geertien Wassens van f 335,- vanwege de geleden verliezen door de brand.

In een schrijven aan de Wed. Sebe Wolters van der Molen en de Gouverneur van Drenthe doet hij dat als volgt:

Brief no. 89 weduwe W. S. van der Molen

Zuidlaren den 10 Augustus 1826
De Burgemeester van de Gemeente Zuidlaren,
ontvangen hebben de bijgaande Orde van betaling
Groot f 335,- onder no. 22771 in dato 14 Junij 1826.
Steld gezegd stuk bij desen in handen van de Wed. Sebe Wolters van der Molen,
ten Fine van invordering, Zullende Zij van de ontvangst daarvan door Reçu worden berigt.

Reçu no. 176
Bekenne ik Ondergetekende Wed, S. W. van der Molen, ontvangen te hebben uit handen van den Heer Burgemeester van Zuidlaren een Order tot betaling groot
 f 335,-


Aan de Gouverneur

Brief no. 90 Gouverneur van Drenthe

Ik heb de eer bij desen te accorderen de Receptie van eene Ordonnantie No. 22771 tot betaling van Drie Honderd Vijf en Dertig Guldens aan de Wed. Sebe Wolters van der Molen te Midlaren ter gemoet koming in de geledene verliesen door de brand in 1826, mij bij besluit van U H.Edel.Gestr. in dato 7 Augustus 1826 geworden.

De collecte

Nu de invordering van het beklemmingscontract en een uitbetaling voor de geleden verliezen is geregeld gaan Gedeputeerde Staten akkoord met het houden van een collecte, niet in de hele provincie Drenthe maar in de Kantons Assen en Dalen. Jantien Wassens krijgt de gelegenheid te collecteren tot de laatste dag van oktober 1826.
Aan het gemeentebestuur wordt de organisatie van de collecte opgedragen en Jantien hierin te ondersteunen. Het gemeentebestuur maakt hiervan direct werk door op vier september 1826 een brief te schrijven aan de ‘Diaconen der Hervormde Gemeente te Zuidlaren’ om de weduwe S.W. van der Molen te assisteren bij de te houden collecte op woensdag 13 september in de gemeente Zuidlaren.
Uit de aanhef van de brief blijkt dat Jantien Geert Wassens nog steeds inwoont bij haar ouders. Letterlijk staat er: Jantje Geerts Wassens Koornmolenaarsche wonende te Midlaren nu te Zuidlaren.

Jantje zal niet in Zuidlaren blijven, zij betrekt na verloop van tijd de molenaarswoning te Midlaren. De korenmolen wordt niet herbouwd, zij geeft het beroep van molenaar op en wordt landbouwersche.

Van molenaarsche tot lanbouwersche  

In het kadaster van 1832 staat Jantje Geert Wassens ingeschreven als Wed. Van der Molen van beroep landbouwersche en eigenaar van het voormalige molenhuis met twee percelen weiland en één perceel bouwland.
Zij is niet meer in het bezit van het molenerf, dat is in bezit van Egbert van Bentum en Consorten en staat omschreven als weiland ‘voormalig molenerf’.

Kadaster 1832
Fragment uit de oorspronkelijk aanwijzende tafels van 1832. Het molenerf op naam van Egbert van Bentum en Consorten

Dochter Margien, geboren op 10 augustus 1814, huwde op 11 oktober 1842 met Johann Hermann Otto Schutte, geboren op 30-10-1810 te Wesuwe in het Duitse Hannover. Hij was van beroep molenmaker en overleed op 7 november 1846 te Zuidlaren.
Margien bleef achter met twee kinderen en hertrouwde op 25 augustus 1849 met Charles Antoon Bos.

Op 25 mei 1852 huwde zoon Geert, oud 33 jaar met Hendrikien Pranger, oud 27 jaar,  geboren in Vries. In de trouwakte staat vermeldt dat moeder Jantje en Geert landbouwer zijn van beroep.
Geert en Hendrikien komen te wonen in Midlaren, bij moeder Jantje in, maar in 1860 staat zoon Geert geregistreerd als gezinshoofd. Hij overleed op 16 mei 1864 te Midlaren op 45 jarige leeftijd.
Moeder Jantje overleed op 30 maart 1869 te Midlaren op 74 jarige leeftijd.
Schoondochter Hendrikien Pranger vertrok van Midlaren naar Zuidlaarderveen. Zij overleed daar op 27 maart 1915 op 90 jarige leeftijd.

Dit artikel is tot stand gekomen in nauwe samenwerking met Diek Medendorp.

Henk Brink  Zuidlaren,  11 november 2008.

 

Noten:

  1. bron: verdwenen molens gem. Tynaarlo
  2. Drents Archief, handschrift, 84x64cm schaal ca. 1 : 100.000
  3. Drents Archief, kaart 303
  4. Drents Archief schulte gerechten Drenthe 1635-1811 inventaris nr. 264
  5. Drents Archief, handschrift, 97x64, schaal circa 1: 23.000
  6. Drents Archief schultenarchief  261, no.122
  7. 1 morgen = 3,5 mud = 95,2 are (Eén mudde is de oppervlakte bouwland te bezaaien met een mud zaaigoed)
  8. Dorpsklanken Eelde 3 maart 1999, Speuren naar sporen uit de Eelder geschiedenis.
  9. Drentsarchief, Oude Staten Archieven 1806-1897, nr 1740